|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ik vroeg mij af wat zij in godsnaam of voor mijn part in allah’s naam bedoelen met beter omgaan? Zou het dan toch uitgelegd kunnen worden als vreemdelingenhaat die door de politie is ontwikkeld jegens allochtonen? Hoe zit het dan met de allochtonen die zelf bij de politie werken? Zeker, ik heb autochtone collega’s discriminerende uitlatingen horen maken aan het adres van hun allochtone collega’s, in mijn bijzijn en in dat van anderen. Ik deed er niets mee, anderen ook niet, er werd alom gelachen, soms lachte de allochtone collega er zelf om of ging verder met zelfspot of het beledigen van diezelfde collega. In een enkel geval liet de allochtone collega merken niet gecharmeerd te zijn van dergelijke opmerkingen en af en toe liep zo’n situatie uit op een aangifte van discriminatie tegen die blanke collega. Uiteindelijk werd getracht het conflict te sussen onder het mom van: “het was niet zo bedoeld, zal wel te maken hebben met het gegeven dat wij als politie zoveel te maken krijgen met criminele buitenlanders”. In het enkele geval dat een allochtone collega “gelijk” kreeg, was overplaatsing of vertrek de volgende stap. Ik heb het in eigen kringen nog niet meegemaakt dat voor een dergelijk vergrijp iemand werd ontslagen. Trouwens, wat mij opviel was dat mensen eerst zeiden dat ze niets tegen buitenlanders hadden en vervolgens verder gingen met het woordje maar. Dan kwam er meestal iets onsamenhangends uit de keel, in de zin van “je ziet ze ook altijd in de opsporingsbladen staan, de cijfers liegen er niet om” of “ze passen zich niet aan” of “ze weigeren Nederlands te spreken”. Als ik dan tijdens een rustig moment een recherchemagazine opensloeg keken mij voornamelijk ogen vanuit een donkere huid aan. Verdomme, zou het dan toch kloppen? Toen mijn ontwikkeling die zekere impuls kreeg om de medemens gelijkwaardig te gaan
bejegenen en die zich doorzette naar criminelen en allochtone collega’s, ervoer ik steeds sterker de weerstand
tegen de discriminerende opmerkingen van collega’s, en de persoonlijke omgang met de allochtone collega’s werd
steeds menselijker en gelijkwaardiger. Het bezorgde mij een goed gevoel. Ik trof stuk voor stuk leergierige,
eerlijke en oprechte collega’s aan, hetgeen ik niet van iedere autochtone collega kon zeggen. Natuurlijk, zij
hadden ook hun karaktereigenschappen, die niet voor eenieder acceptabel waren, maar zo zijn mensen nu eenmaal,
verschillend en uniek in hun persoonlijke ontwikkeling. In het geval de verdachte een landgenoot was van mijn collega, kreeg het verhoor een extra lading. Gedurende die verhoren en erna was er altijd weer dat menselijke besef van de verbale en emotionele uitspattingen en werd dankbaar gebruik gemaakt van dit leerproces. De verdachte, aangever en getuige mocht zijn wie hij of zij was, dus ook allochtoon of autochtoon, wij gunden ons dat zelf ook. In de omgang met collega’s ontstond een soortgelijke ruimte en vrijheid om te zijn wie je was. Uit dat proces heb ik de lering getrokken dat mijn veranderde instelling jegens de medemens van cruciaal belang is geweest. Het had niets met de ander te maken, wel met mezelf. Collega’s gingen met die inzichten zelf aan de slag, zonder mijn gedrag te kopiëren. Voor sommige autochtone collega’s ging dat iets te ver, zij bleven volharden in oude patronen en denkwijzen, de allochtone collega’s gingen gretig op zoek naar dat besef. Dat vond ik nog het mooiste. De laatste jaren kwam het verdachtenverhoor voor mij persoonlijk onder druk te staan. Steeds meer verhoren moesten in beeld en geluid worden opgenomen. Persoonlijk zeg ik daarover dat ik niet erg gelukkig was met die ontwikkeling, want ik weet zeker dat het mezelf zijn daardoor onder druk zou komen te staan en uiteraard zou dat ook voor de verdachte gelden. Camera’s beïnvloeden nu eenmaal het gedrag van mensen en een politieambtenaar in een verhoorkamer is nog steeds een mens, al had ik af en toe de indruk dat van mij werd verwacht dat het tonen van menselijkheid het laatste was dat ik tegenover zo’n slechte hond zou moeten doen. Voordat de camera’s werkelijk hun intrede deden was ik al weg bij de recherche. Ik heb zo’n ervaring dus niet gehad. Politiemensen hoeven zich niet beter te gaan gedragen tegenover allochtonen. Zij zouden zich meer bewust moeten worden van hun menszijn. We zouden tot het besef moeten komen, dat wij ons zelf hebben ontwikkeld en dat er onbewuste drijfveren achter de beroepskeuze zitten. Zodoende kan er licht komen in de achterdochtige opvatting dat de samenleving ernstig zou ontwrichten als politiemensen niet beter leren omgaan met allochtonen. Het voorhouden van die spiegel is zeer confronterend, want het is niet charmant te ontdekken dat racisme en discriminatie deel uitmaakt van jouw eigen menszijn en tegelijkertijd te moeten inzien dat er een samenhang is tussen de persoonlijke ontwikkeling en bepaalde opvattingen over normen en waarden. Uiteraard geldt dit ook voor de Raad van Hoofdcommissarissen. Het kan erg pijnlijk zijn te ontdekken dat gedrag zelf wordt gecreëerd, maar het is wel de moeite waard. Je wordt je alleen maar meer bewust van menselijkheid. Dat is toch precies wat we met z’n allen willen, of niet? Zo, de toon is gezet. De begrippen allochtoon en autochtoon verdwijnen uit mijn vocabulaire om plaats te maken voor het begrip mens. vergelijkbare onderwerpen: Even voorstellen: Jacques Smeets
Als politieman sta je middenin de samenleving, een organisatie waar mensen in het gareel lopen maar waar ook individuen hun (sterke) neiging uiten door er buiten te stappen en zich niets aan te trekken van wetten, regels en gebruikelijke normen en waarden. Jacques Smeets, sinds 1969 als politieman werkzaam, schreef aan de vooravond van zijn pensioen een kroniek van zijn politieleven. Het politieberoep drukte een stempel op zijn leven. Hij werd gedurende die tijd ziek, verloor de zingeving in het werk, raakte burnout, krabbelde overeind, werd weer gezond en vond nieuwe zingeving in zijn beroep door erover te gaan schrijven. Hij ontwikkelde een website (www.deblauwediender.nl) en schreef in 2007 zijn eerste boek (De bezieling van een politieman) dat inmiddels is uitverkocht. De auteur wist zich te hervinden in een rustige, ontspannen wereld, terwijl de wereld om hem heen crimineel bleef, de gewelddadige en onnatuurlijke dood niet verdwenen en agressie en geweld nog steeds heersen. Een bijzondere samenwerking met zijn broer Alfons, beeldend kunstenaar (www.alfonssmeets.nl), zorgde ervoor dat Jacques zijn positie binnen de samenleving middels poëtische of diepzinnige teksten bij foto’s van schilderijen van de hand van Alfons, wist te duiden. Een onverhoedse confrontatie met borstkanker bij zijn echtgenote in 2006 bracht Jacques ertoe zijn persoonlijke beleving (gedachten én gevoelens) op te schrijven in een tweede boek. Het kreeg de titel: "Kanker, verwoesting en geneeskracht" en werd in 2008 uitgegeven door uitgeverij Gopher te Amsterdam. De intentie van dit boek is partners en andere mensen uit de directe omgeving van kankerpatiënten tot steun te zijn bij het doorstaan van een kankerproces bij hun geliefden. Eind 2009 werd de kroniek van zijn politieleven (De blauwe diender) uitgebracht. Het werd geschreven om inzichten te verschaffen in die complexe wereld van werkelijkheden, die zich dagelijks in allerlei vormen openbaart. Het is ook een boek met persoonlijke inzichten en openheid over het leven van Jacques en het vak en de nooit aflatende directe verbinding daartussen. Concreet geeft het weer hoe Jacques als mens én als politieman centraal in de politieorganisatie én in de samenleving stond en staat. artikelen van auteur:
bron: www.menscentraal.nl
|
|
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||