22 augustus 2008
steungroepaanpak
oplossingsgericht werken
De
steungroepaanpak
interview met Sue Young
Coert
Visser interviewt Sue Young
Resp. oprichter van
trainings- en adviesbureau Oplossingsgericht Veranderen
en medeoprichter van www.noam.nu en
trainer in de oplossingsgerichte
aanpak en
trainer in de oplossingsgerichte
aanpak
Sue Young verdeelt haar tijd tussen
gedragsondersteuning aan scholen en training in de
oplossingsgerichte aanpak. Ze pleit voor het toepassen van
oplossingsgericht werken om succes op alle niveaus in scholen
te stimuleren. Tot haar initiatieven behoren het invoeren van
nationaal beleid in scholen, het helpen van locale
schoolhoofden om positieve gedragingen bij leerlingen te
stimuleren en het ondersteunen van individuele kinderen en
ouders. Eén van de bijzondere interesses van Sue is het
bevorderen van een antipest mentaliteit.
Halverwege de jaren negentig
ontwikkelde ze de steungroepaanpak om te reageren op incidenten
die te maken hadden met pesten. Later ontdekte ze hoe goed haar
benadering aansloot bij oplossingsgericht denken en sinds dat
moment past ze oplossingsgerichte principes toe in al haar
werkgebieden. Dus … wat is de steungroepaanpak en hoe werkt
hij? Is hij moeilijk toe te passen? Hoe helpt hij? Vind
antwoorden op deze vragen en meer in dit
interview.
Kun je uitleggen wat de steungroepaanpak
is?
Kort gezegd is de steungroepaanpak een oplossingsgerichte
strategie voor het oplossen van klachten over pesten, vooral in
basisscholen. Ik denk dat het een goed voorbeeld is van een
‘oplossingssleutel’ (een woord van Steve de Shazer) omdat de
eenvoud van deze interventie het mogelijk maakt om hem toe te
passen in een brede range van omstandigheden. Het kind dat van
streek is wordt geïnterviewd om uit te vinden wie hij of zij op
het moment lastig vindt om mee om te gaan, welke andere
kinderen in de buurt zijn als ze het moeilijk hebben en wie
zijn of haar vriend is of vrienden zijn. Er wordt hem of haar
niet gevraagd om informatie over wat er precies gebeurd is. Het
kind wordt gerustgesteld dat dingen beter zullen beginnen te
gaan en dat een groep kinderen, gekozen uit de namen die hij of
zij heeft genoemd, zal worden gevraagd om te helpen.
Het kind wordt gevraagd om op te letten op alles wat beter
gaat zodat hij of zij je erover kan vertellen wanneer je een
tweede gesprek hebt na een week. Een steungroep van idealiter 5
tot 8 kinderen wordt gevormd uit de genoemde namen. Met deze
groep wordt apart gesproken en aan hen wordt eenvoudigweg
gevraagd om te helpen met als doel om het kind om wie het gaat
gelukkiger te maken op school. Er wordt geen verklaring gegeven
over de reden waarom het kind wellicht niet gelukkig is. Het is
belangrijk dat degene die het gesprek leidt het woord ‘pesten’
helemaal niet gebruikt en probeert om welk oordeel dan ook over
wat er is gebeurd te vermijden. Aan de kinderen wordt gevraagd
om ideeën te bedenken van kleine dingen die zij zouden kunnen
proberen en er wordt een afspraak gemaakt voor een week later
om te bespreken wat ze hebben kunnen doen.
En wat gebeurt er een week later in de
vervolggesprekken met het gepeste kind en in het gesprek met de
steungroep?
In het vervolggesprek wordt aan het kind waar het over gaat
gevraagd welke dingen beter gaan en het kind wordt geprezen
voor hoe het de situatie heeft weten te hanteren. In het
gesprek met de steungroep, dat daarna plaatsvindt, wordt aan de
kinderen gevraagd hoe zij vinden dat het gaat en ieder kind
krijgt de gelegenheid om te vertellen wat hij of zij heeft
kunnen doen. Ze worden allemaal individueel bedankt voor hun
hulp en dan gefeliciteerd met het groepssucces. Een week later
kan nog een vervolggesprek worden gepland. Soms is het nodig om
meer dan één gesprek te voeren om ervoor te zorgen dat iedere
vorm van plagen of pesten – dit wordt dan meestal gedaan door
een kind dat niet in de steungroep zit – volledig stopt. Maar
zelden is het nodig om vijf gesprekken te voeren. Het criterium
om de groep te beëindigen is dat iedereen het erover eens is
dat het kind nu gelukkig is op school: het kind zelf, de leden
van de groep, medewerkers van de school en de ouders.
Wat zie je als de belangrijkste kenmerken en
voordelen van deze aanpak in vergelijking met andere antipest
aanpakken?
Het is niet nodig dat het kind steeds maar weer vertelt wat
er is gebeurd wat vaak als nadeel heeft dat het kind opnieuw
getraumatiseerd en gedemoraliseerd wordt, terwijl het zich vaak
al machteloos en angstig voelt om aan anderen te vertellen hoe
hij of zij zich voelt. Bovendien kan het opnieuw bespreken van
wat er gebeurd is deze gevoelens verder bekrachtigen. Het voelt
voor het kind ook als minder riskant wanneer het niet hoeft te
‘klikken’ over andere kinderen. De meeste andere aanpakken gaan
er van uit dat pesten heeft plaatsgevonden, hoewel het in de
praktijk heel lastig kan zijn om dit met zekerheid vast te
stellen omdat pesten vaak buiten het blikveld van volwassenen
plaatsvindt. Andere kinderen die weten dat het gebeurt, melden
het zelden en iedereen die beschuldigd wordt van pesten is
geneigd het te ontkennen. Dus het is erg moeilijk zijn om het
te ‘bewijzen’. Gelukkig is het bewijzen dat pesten heeft
plaatsgevonden niet aan de orde bij deze aanpak omdat er geen
aannames hoeven te worden gevormd over wat er aan de hand is.
Geen van de kinderen krijgt een etiket, zoals "pestkop" of
"slachtoffer" - bij de aanpak terwijl ze tegelijkertijd wel de
gelegenheid krijgen om eerder gemaakte fouten goed te maken als
ze dat willen. Dat geldt ook, misschien verrassenderwijs, voor
het kind over wie het gaat.
vervolg van
artikel:
|